Dromen van succes

Column van Jeroen Kleijn

Het zou wat zijn, h. Als die pieper ooit eens afgaat. Ik kan het me eigenlijk niet zo goed voorstellen. Wat er dan allemaal zou gebeuren. Je weet natuurlijk niet wanneer de pieper afgaat. Dus, vooral nu ik bijna twee jaar op de wachtlijst sta, als ik ergens ben dan denk ik daar wel eens aan. Wat moet ik doen als hij nu gaat piepen? Telefoon in de buurt? Ik heb mobiel. Dat is dus het probleem niet. Bijvoorbeeld een paar weken terug alweer, ben ik samen met mijn moeder en oom en tante naar Amsterdam geweest. Villa Arena, een nieuw soort Alexandrium. Allebei vol met woonwinkels. Villa Arena is wat luxer en heeft wat meer keus. En dat is dan ook gelijk een stukje duurder natuurlijk. Maar goed. We zaten in de auto en toen kwam dat dus ter sprake. Stel je voor, je zit op de snelweg en de pieper gaat af. Wat te doen?? Tja, daar had ik nog niet zo over nagedacht eigenlijk. Wel denk je er aan als je ergens bent. Maar onderweg is toch een heel ander verhaal. We hebben dus besloten maar de eerste de beste afslag te nemen, want de ambulance die me dan moet ophalen doet dat niet op de snelweg. Het kan wel, maar vind ik zelf niet fijn. Dan wordt het helemaal, inpakken en wegwezen. Het zal een zware tijd worden als de pieper afgaat. Ik ben meteen voor een maand of twee drie uit de roulatie. Dat zit hem vooral in de revalidatie. Opnieuw leren ademhalen, oefenen met lopen, nieuwe medicijnen enz. Er zit een heel leerproces aan vast. Maar nog het meest onwezenlijke van alles is de tijd erna. Als je na de opname weer thuis komt. Daar moet ik steeds vaker aan denken. Dat komt natuurlijk omdat ik nu al een tijdje op de wachtlijst sta. Misschien ben ik nu snel aan de beurt. Het blijft giswerk. Je hebt geen nummertje op de lijst. Je moet wachten tot er een geschikte donor is. Dat kan als je geluk hebt al binnen een jaar. Als je pech hebt, gebeurt het pas als de gemiddelde wachttijd (twee en een half jaar) ver voorbij is. Daar gaan we niet van uit. Als het een beetje meezit, ben ik voor het eind van 2002 aan de beurt. Dat hoop ik althans. Oke. De eerste paar dagen thuis. Je bent niet meer in het ziekenhuis waar je meteen opgevangen wordt als het mis gaat. Maar het belangrijkste is dat je in je oude leventje stapt met een vernieuwd lichaam. De trap zou ik op kunnen zonder ook maar een zuchtje te weinig lucht. Mijn sprayapparaat (voor het inademen van medicijnen in de vorm van stoom) kan de kast in. De plank die ik dus altijd nodig had in mijn kamer om s morgens en s avonds te sprayen, is plots overbodig. Ik kan me opeens flink haasten, als ik te laat ben, zonder het benauwd te krijgen. Ik kan in mijn auto stappen en zomaar een stuk gaan rijden. Waarheen ik maar wil. Ik hoef dan nergens aan te denken. Niet aan een rolstoel of zuurstof. Ik kan dan voor het eerst in jaren weer naar het buitenland. Met het vliegtuig als ik wil. Dat is ook wel leuk, dat je gewoon weer naar de zon kan. Ik kan weer uren wandelen. Als we de stad in gaan, kan ik gewoon weer lopen. Kleding passen kan dus ook. Als er een boodschap gedaan moet worden, kan ik dat alleen. Dus een cadeautje kopen kan ik ook weer alleen.

Er zijn zoveel dingen te verzinnen die een gezond mens vanzelfsprekend vindt. Ik was pas bij de dokter en toen vertelde hij een verhaaltje. Het ging over een vrouw die bijna negen maanden in het ziekenhuis heeft gelegen voor een dubbele longtransplantatie. Ze bleef in het ziekenhuis omdat het thuis niet meer ging, zo benauwd. Die vrouw is geholpen en alles gaat hartstikke goed. Nou werd mijn dokter een paar weken geleden gebeld door die zelfde vrouw. Ze stond huilend aan de telefoon. Ze had, samen met haar man en dochter, een berg beklommen. Zon achthonderd meter omhoog. Helemaal zelf, zonder enige hulp. Dat ze dat mocht meemaken! Vorig jaar kreeg ik zelf ook zon telefoontje. Een jongen die een jaar ouder is dan mij, was samen met zijn vader voor het eerst weer op vakantie geweest. Een weekendje Parijs. De eerste dag had hij drie uur achter elkaar gelopen. Ook de metro in en uit, dus trap op en af. Voorheen zat hij een half jaar in een rolstoel. Dat zijn van die dingen, daar krijg je het even warm van. Ik weet zelf niet hoe dat is. Vroeger kon ik dat wel. Toen was ik twaalf of zo. Maar toen al ging het niet zomaar. Altijd werd er gehoest en geproest. Heel soms, ik liet mezelf natuurlijk niet zo gauw kennen, ging ik bij mijn vader of mijn broer achterop de rug. Dan was het wel heel erg hoor. Liever sputterde ik zelf naar het eind (nu nog). De auto, of een restaurant. Als ik maar kon zitten.

U begrijpt. Af en toe droom ik wel eens weg. Dat gebeurt vaak rond deze tijd. Sinterklaas, kerst, oud en nieuw. Dat zijn van die dagen dat je gaat nadenken. Heeft iedereen wel denk ik. Vroeger toen ik nog wat jonger was, zagen die dromen er heel anders uit. Gelukkig is dat een stuk positiever geworden.

 

Kiikje in longen?